Gelezen door: André Oyen (3553 boeken)
Citaat: "We werden niet opgevoed met het besef om anderen in hun waarden te laten, maar we leerden om anderen af te branden. Het was likken naar boven en trappen naar beneden."
Op zekere dag wordt auteur en journalist van Vrij Nederland Rudie Kagie gebeld door een vage bekende uit een ver verleden. Die vraagt hem of hij zitting wil nemen in een comité dat een reünie organiseert van het kindertehuis Nieuw Voordorp in Voorschoten, waar Rudie Kagie van zijn tiende tot zijn veertiende woonde. Zijn vader kon zijn oorlogstrauma niet verwerken en terroriseerde daardoor het gezin. De moeder kon het niet meer aan en nam de benen: de kinderen belandden in het kindertehuis Nieuw Voordorp.
Er heerste daar een schrikbewind dat voor die dagen niet ongewoon was. Kinderen worden geslagen en op bedwateren staat straf en publieke vernedering. Watervrees of stotteren werden zo onmenselijk benaderd, dat je ervan huivert als je het nog maar leest. Kinderen die uit nervositeit of uit afkeer moesten overgeven, werden gedwongen alsnog het eten met braaksel en al te verorberen. Kortom, van de vele dingen die in dat tehuis ontbraken, waren gevoelens en genegenheid wel de meest opvallende.
Rudie Kagie beschrijft het allemaal heel rustig en probeert zijn eigen herinneringen, angst en schaamte wel onder de aandacht te brengen, maar ook te relativeren door ook te focussen op de verhalen van zijn medebewoners en groepsleiders. Dat de confrontatie met vroeger door een reünie niet voor alle deelnemers even feestelijk zal uitpakken staat voor de auteur bij voorbaat al vast. Ex-bewoners en oud-groepsleiders slaan elkaar ook na veertig jaar nog de hersens in over bepaalde manieren van ordehandhaving. Toch besluit hij mee te helpen, niet alleen uit nieuwsgierigheid naar zijn lotgenoten, maar ook naar het kind dat hij zelf was. Het is net zoals een kostschool, voor de een en hel voor de ander een amusante tijd. Was het kindertehuis voor de een fantastisch, een ander beschouwt het na veertig jaar nog als een grote terreur. Elk kind reageert verschillend en onthoudt zijn jeugdherinneringen ook heel individueel.
Rudie Kagie komt als een warme man uit dit boek, die begrip tracht op te brengen voor zijn ouders en ook de zeldzaam mooie herinneringen aan hen nog koestert. Zelfs voor zijn opvoeders, voor wie opvoeden een equivalent was voor werken bij de vuilkar, kan hij nog enige flexibiliteit tonen. Schuifkaas is de inventaris van moeilijke jeugdjaren die na al die tijd nog altijd gemengde gevoelens oproepen. De titel op zich herbergt al een stuk geschiedenis.
Bij Rudie Kagie thuis kregen ze vroeger op brood schuifkaas: een half plakje kaas dat je steeds een stukje verder opschoof op de boterham waardoor het leek dat je echt beleg op je brood had. Deze armoede, niet alleen op materieel maar ook en vooral op geestelijk en emotioneel vlak, staat in het hele boek centraal. Schuifkaas is een heel sterk boek dat met gevoel én verstand werd geschreven en volgens mij zeker voor een grote literaire prijs mag genomineerd worden. Van Rudie Kagie koesterde ik tot nog toe vooral De verboden saxofoon en Schuifkaas is nu het nieuwe troetelkind geworden.
|
Reacties (0)Delen
|