Gelezen door: André Oyen (3553 boeken)
Citaat: "
Ik ben niet nieuwsgierig maar uiteindelijk zou ik graag weten wat een stationskommandantur midden in de vredestijd te betekenen heeft. Misschien is ze daar voor de talloze rekruten, die met houten koffers en witte bundels in het station zitten en met nieuwsgierige ogen de internationale treinen bekijken en de vrije reizigers in Engelse kostuums en de elegante dames die zich naar het lido begeven. Maar naast elk radeloos hoopje rekruten staat een fascist. Ze zijn niet zo mooi om aan te zien als die eerste opperfascist, maar dragen wel allemaal dezelfde schattige pistooltjes in bruine etuis. "
Els Snick studeerde Germaanse filologie en geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Gent. Zij doceert Duits en vertaling aan het Departement Vertalen, Tolken en Communicatie van de Universiteit Gent. In 2011 promoveerde zij op de Joods-Oostenrijks-Hongaarse schrijver en journalist Joseph Roth en zijn bemiddelaars in de Lage Landen. In maart 2013 verscheen haar boek Waar het me slecht gaat is mijn vaderland: Joseph Roth in Nederland en België.
Ter gelegenheid van de 75ste verjaardag van het overlijden van Joseph Roth richtte zij in 2014 samen met enkele Roth-vrienden het Joseph Roth Genootschap voor Vlaanderen en Nederland op, een zusterafdeling van het Internationale Joseph Roth Gesellschaft in Wenen.
Joseph Roth (1894-1939) – schrijver van o.a. het bekende Radetzkymars en wiens herontdekte werk de voorbije 10 jaar herverscheen was tijdens WO I verslaggever aan het Oostfront voor het Oostenrijks-Hongaarse leger. Later, tijdens de dramatische naweeën van de oorlog, woonde en werkte hij als journalist en romanauteur in Wenen en Berlijn. Een belangrijk motief in zijn oeuvre is het personage van de ‘Heimkehrer’, die na de totale catastrofe de draad weer probeert op te pakken. Na 1933 verbleef Roth, op de vlucht voor de nazi’s, geregeld in Amsterdam, Brussel en Oostende. Els Snick licht de netwerken toe die hem hielpen overleven in de emigratie.
Roth werd geboren in een Joodse familie en groeide op in Brody in Galicië. Dit stadje bevond zich in de oostelijke uithoeken van het toenmalig Oostenrijk-Hongaarse Keizerrijk, nu Oekraïne en Polen. De Joodse cultuur speelde een belangrijke rol in het leven van de stad. Roth groeide op bij zijn moeder Marie en haar familieleden. Het waren de nadagen van het Habsburgse Rijk.
Anders dan andere Joodse kinderen ging de jonge Roth niet naar een cheder (Jiddisch-Hebreeuwse religieuze basisschool) maar vanaf zijn 7e naar een naar Baron Hirsch vernoemde openbare basisschool. Vanaf 1905 volgde hij het onderwijs aan het Kronprinz Rudolfgymnasium, waar hij de Duitse klassieke literatuur ontdekte en met het geassimileerde jodendom in aanraking kwam. Na de middelbare school verhuisde Roth naar Lviv, waar hij in 1913 zijn universitaire studies begon. Enkele maanden later vertrok hij naar de Universiteit van Wenen om er filosofie en Duitse taal- en letterkunde te studeren. Op de universiteit leerde de jonge student Roth een van zijn belangrijkste vrienden kennen: Soma Morgenstern. Met Morgenstern had hij vooral later in Franse ballingschap regelmatig contact. Morgenstern, die net als Roth in Galicië geboren was, was in de laatste dagen van Roths leven zijn steun en toeverlaat.
In 1918 keerde Roth terug naar Wenen en schreef er voor linkse kranten. Hij schreef vele romans en korte verhalen. Hij werd vooral bekend door zijn boeken Job (1930) en Radetzkymars (1932).
Roth werkte vanaf 1920 als journalist in Berlijn voor de Neue Berliner Zeitung. Vanaf 1921 werkte hij voor de Berliner Börsen-Courier en een aantal jaar later voor de gezaghebbende Frankfurter Zeitung. In 1933 ontvluchtte hij Duitsland, waar zijn boeken verboden werden.
In het oeuvre van Roth komen diverse personages met geestesziekten voor, waarin zijn ervaringen met zijn vrouw weerspiegeld worden. Mirjam de dochter van Mendel Singer (Job), lijkt bijvoorbeeld naar het voorbeeld van Friedl bedacht, met alle gradaties van haar ziektebeeld. Ook graaf Chojnicki in Radetzkymars, die qua uiterlijk sprekend op Joseph Roth lijkt, komt waanzinnig uit de oorlog terug.
Al jong begon Roth met schrijfoefeningen. Als gymnasiast schreef hij gedichten die hij zijn nicht Paula Grübel liet lezen. Deze gedichten getuigen van zijn talent voor taal. Motieven zoals lente, herfst en hoop overheersen. Zijn ervaringen als soldaat verwerkte hij in gedichten in de expressionistische stijl. Op latere leeftijd ging Roth zijn gedichten ontkennen, misschien uit schaamte. Zijn nicht Paula Grübel verzamelde na zijn dood ongeveer 150 gedichten.
In april 1919 ging Joseph Roth bij de socialistische krant Der Neue Tag werken waar hij reportages schreef bijvoorbeeld over uit de gevangenschap terugkerende soldaten. Tegelijkertijd begon hij zijn levensstijl te ontwikkelen die hij er tot zijn dood op nahoudt: discussiëren en drinken werden zijn manier van leven.
Der Neue Tag ging na anderhalf jaar bestaan failliet en Roth moest op zoek naar een nieuw werkgever. Het waren economisch lastige tijden en hij besloot om naar Duitsland te gaan waar hij makkelijker een baan als journalist kon vinden. Hij reisde af naar Berlijn, het culturele centrum in die tijd. Roth werkte onder andere bij de Neue Berliner Zeitung, de Berliner Börsen-Courier en van januari 1923 bij de gezaghebbende Frankfurter Zeitung (FZ).
In 1923 publiceerde Roth zijn eerste roman Das Spinnennetz als feuilleton in 30 delen in de Oostenrijkse Arbeiterzeitung. Roth was heel productief, naast artikelen voor diverse kranten verscheen in 1924 zijn volgende roman Hotel Savoy in meerdere delen in het socialistische dagblad Vorwärts. In de daarop volgende jaren publiceerde Roth essays en in 1927 de roman Die Flucht ohne Ende, die ook door een groter publiek opgemerkt werd. Maar omdat er geld verdiend moest worden vanwege zowel zijn geesteszieke vrouw als zijn eigen alcoholverslaving ging hij zelfs in zee met de zeer conservatieve, nationalistische krant Neueste Münchner Nachrichten. Roth die als "verbissener Hasser des nationalen Chauvinismus bekendstond, moest zich onder de economische druk aanpassen.
Eind jaren twintig raakte de relatie met zijn belangrijkste werkgever, de Frankfurter Zeitung verstoord. Aan de ene kant had het met Roths karakter te maken. Hij wantrouwde zijn bazen in Frankfurt en was ervan overtuigd dat hij ondermijnd wordt. Een andere belangrijke reden voor het geschil met de redactie van de FZ was dat hij in 1926 zijn baan als correspondent in Parijs aan een collega moest overlaten.
In de jaren 1925 tot 1933 was hij ondanks zijn politieke en persoonlijke problemen op literair vlak succesvol. Hij publiceerde zijn belangrijkste romans en daarnaast schreef hij ook fraaie reisreportages over Rusland en Zuid-Frankrijk. In Job: roman over een eenvoudige man (1930) wordt het verhaal verteld van de vrome jood Mendel Singer, woonachtig in een dorpje in tsaristisch Rusland
Een van Roths bekendste romans is Radetzkymars (1932). Het is een klassiek verhaal over de ondergang van deze wereld met de opkomst en neergang van 3 generaties van het geslacht Von Trotta, beginnend in 1859 met de grootvader, de "held van Solferino". Die in dat jaar, min of meer toevallig, het leven redt van de nog jonge keizer Frans Jozef. Het eindigt met de dood van de keizer in 1916. In de loop van het boek wordt de dreiging van de naderende wereldoorlog voelbaar. Het is deze oorlog die een einde maakt aan de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie en de adellijke tak van het geslacht (Von) Trotta. De familie Von Trotta staat symbool voor de ondergang van de monarchie na de slag bij Solferino. Voor de literaire wereld is deze roman het belangrijkste werk van Roth. Het is een ode aan de ogenschijnlijk stabiele tijden van voor de Eerste Wereldoorlog. Roths figuren zijn prototypen uit het Habsburgse rijk en het Fin de Siécle.
Op 30 januari 1933, de inauguratie van Adolf Hitler, verliet Joseph Roth Duitsland en vestigt zich in Parijs. Hij was niet de enige beroemde schrijver die veiligheid in Frankrijk zocht. In de loop van de jaren gingen vele bekende schrijvers zoals Alfred Döblin, Ödön von Horváth en Anna Seghers naar Frankrijk. In Parijs en het zuiden van het land ontstonden in de jaren 30 kleine Duitse gemeenschappen. Vanwege het verbod op zijn werk in Duitsland krompen zijn inkomsten. Hij probeerde met verschillende projecten zoals het schrijven van een filmboek zijn situatie te verbeteren. Ook ontving hij een beurs van American Guild for German Cultural Freedom. Deze organisatie was gericht op de ondersteuning van belangrijke Duitstalige kunstenaars en een soort van culturele tegenbeweging tegen het naziregime.
In de jaren 1933 tot 1939 schreef Roth tal van artikelen en romans. Zijn eerste verhaal in ballingschap was Stationschef Fallmerayer, dat niet zoals gepland door de uitgeverij Ullstein maar bij de Amsterdamse uitgeverij Querido gepubliceerd werd. In 1934 werd het essay Der Antichrist bij Allert de Lange gepubliceerd. Al in 1933 en 1934 zijn beiden uitgeverijen voor Roth belangrijk omdat Nederland in de tijd nog veilig was voor Joden en vanwege de goede contacten met schrijvers uit de Weimarrepubliek. In 1938 publiceerde hij de roman De Kapucijner Crypte en in 1939 werd postuum Die Geschichte von der 1002. Nacht bij De Gemeenschap gepubliceerd.
Roths sociale bewogenheid en zijn medelijden met de minderbedeelden maakten hem in het begin ontvankelijk voor linkse politieke standpunten. Na een reis in de jaren 20 naar de Sovjet-Unie stapte hij hier grotendeels van af in het voordeel van het conservatisme. Hierdoor verloor hij veel van zijn linkse vrienden en begon hij vanuit een supranationaal conservatief en royalistisch standpunt de nazi's en het etnisch nationalisme te bestrijden.
Typisch voor Roths werk is de steeds terugkerende nostalgie naar de verloren Donaumonarchie en het oude Oostenrijk, waarin de Habsburgers een centrale, bindende rol hebben gespeeld. Hij had een afkeer voor het nationalisme dat Europa in zijn greep had en onderkende al vroeg de gevaren van het fascisme en van de opkomende nazibeweging.
Charleston op de vulkaan is een zeer interessant boek met reportages uit Albanië en Italië uit 1927 en 1928.
In het voorjaar van 1927 reist Joseph Roth naar Albanië om verslag te doen van de crisis die zich daar afspeelt: het land dreigt te worden geannexeerd door zowel Italië als Zuid-Slavië (toenmalig Joegoslavië). Hij heeft er een ontmoeting met de toemalige president Ahmed Zogu en beschrijft uitgebreid en uiterst kritisch alles wat op zijn weg komt van de brandhaard, de corr
|
Reacties (0)Delen
|