Gelezen door: André Oyen (3553 boeken)
Citaat: "Van hen moesten de zwarten ook denken dat God een witte was en dat Christus een witte was en dat al het goede wit was en al het zwarte slecht en zo moest de afkeer ontstaan en waar afkeer was, ontstond vervreemding, elke dag wat meer, elke dag werd de kloof breder, het wederzijds onbegrip, tot de fatale losbarsting zou komen, onvermijdelijk."
Paul Brondeel (Lede, 20 juni 1927 - Brugge, 1 maart 2009) was een Vlaams schrijver. Van 1955 tot juni 1961 was Paul Brondeel ambtenaar in Belgisch-Kongo. Vanaf 1961 werkte hij bij de toenmalige RTT. Als letterkundige is zijn naam vooral verbonden aan de koloniale romans Dagboek van een nacht (1967) en Ik, blanke kaffer (1970) die een indringend beeld schetsen van een koloniale loopbaan en van de onzekerheden die het einde van de koloniale periode kenmerkten. Beide romans bereikten een grote oplage en nuanceerden enkele sterk verspreide clichés over het ambtenarenleven in de kolonie. In 1966 ontving hij de Prijs voor de roman van de Provincie West-Vlaanderen voor Dagboek van een nacht. In de jaren zeventig en tachtig publiceerde hij onder meer de romans Nachttrein in september (1974), Peter Bloeme (1983) en Manslag (1988). Zijn literair mensbeeld is somber en pessimistsch en verbergt vaak een onderliggend angst. Zijn bekendste werk Ik, blanke kaffer heeft wel wat elementen gemeen met Jef Geeraerts’ Congo - epos Gangreen 1: Black Venus: gespannen relaties met de zwarten, sloten whisky op de barza, een blanke hoofdfiguur die langzaam de pedalen verliest terwijl het koloniale wereldje waarin hij een minuscuul rolletje speelt zienderogen uit elkaar valt.
Hoofdpersoon en ikverteller Adriaan Cafmayer trekt in 1954 naar Kongo, zeker niet uit verheven idealisme, maar ook en vooral omdat er in de kolonie grof geld verdiend kon worden. Cafmayer is een trotse, maar ook onzekere man, die hoopt om eindelijk te ontsnappen aan het uitzichtloze forenzenbestaan waartoe hij in Vlaanderen veroordeeld is. Bovendien is hij getrouwd met Josiane: er moet brood op de plank komen. Cafmayer ontdekt echter snel dat hij niet ontkomt aan zijn demonen, want zij volgen hem ook naar Kongo. Rood van het stof en stinkend als een bok kan hij echter niet aan de hitte en de hoge werkdruk wennen. Bovendien wordt hij overmand door heimwee en eenzaamheid. Waarachtig contact met anderen heeft hij niet en de weinige vrienden die hij er maakt blijken achter zijn vrouw Josiane aan te zitten. Hij slaagt hij er niet in los te komen van al wat hij in België meende te hebben achtergelaten. Het Belgische machtsapparaat wankelt, maar Cafmayer wilt of durft zijn post niet te verlaten, gedreven door een plichtsbesef waarvan hij zelf niet weet waar het vandaan komt. Hoewel hij beseft dat hij zich kapot werkt en iedereen –zowel zwart als blank - van hem profiteert om ertussenuit te knijpen, werkt hij zich te pletter en weet hij van geen ophouden.
Zijn huwelijk implodeert en Cafmayer verliest zichzelf in tomeloze woede van onmacht. Wanneer de onafhankelijkheid wordt uitgeroepen, is Cafmayer de pedalen al lang kwijt en moet hij met hangende pootjes terug naar België. Ik, Blanke Kaffer is een scherpe kritiek op de moraal van de jaren 1950, en het boek toont genadeloos de Belgische kolonialen als een volk dat, zelfs in een overweldigende kolonie die tachtig keer groter is dan het moederland, niet in staat is om waardigheid en humaniteit te behouden.
|
Reacties (0)Delen
|